beduusdheid

vrouwelijk (de)/bə'dysthɛɪt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. de mate waarin iemand onthutst en verbaasd is
    Vanuit het raam van de werkkamer had Elena de vorige middag kunnen zien hoe Hildes beduusdheid in vertwijfeling en haar vertwijfeling in waanzin was veranderd.

Etymologie

*afleiding van beduusd