baseren

/xxxx/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) ~ op: gronden, doen steunen
    Hij baseerde die conclusie op misleidende gegevens.
    U kunt de tentoonstelling niet op een gerucht baseren. Iedereen zal me uitlachen. Ze lachen u niet uit. Mensen zijn dol op geruchten, meneer Scott.
  2. refl (refl) zich ~ op: steunen op, uitgaan van
    Hij baseerde zich op een uitspraak van de raad uit 1923.

Etymologie

*Van het Engelse base of het Franse baser

Vertalingen

Engelsbase
Fransbaser
Duitsbasieren
Spaansbasar
Italiaansbasare