barsheid

vrouwelijk (de)/'bɑrshɛɪt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het boos, lomp en onvriendelijk zijn
    In mei leer ik een dadaïst kennen en niets verandertIk blijf ongepast, ik blijf obscene gedichten schrijvenOver sponzenverkopers en over vogelwichelaars,Over gekwelde okapi’s en over uitgekiende meeuwenDie mij vrede brengen, ik heb vrede met mijn barsheid. NRC Obe Alkema 19 januari 2017 [https://www.nrc.nl/nieuws/2017/01/19/de-laatste-granaat-op-het-patriarchaat-6193801-a1542174 Een gedicht moet je voorbij het bekende kunnen duwen]
    Maar het is taaie kost. Je voelt het in alles. Die barsheid van de strijkers. De dwarse ritmiek die steeds op het verkeerde been zet. De maatschappijkritische, bozige teksten. NRC 31 oktober 2018 [https://www.nrc.nl/nieuws/2018/10/31/albumoverzicht-my-baby-zuigt-je-mee-kurt-vile-is-gelukkig-nog-op-zn-dooie-gemakje-a2753362 Albumoverzicht: My Baby zuigt je mee, Kurt Vile is gelukkig nog op z’n dooie gemakje]

Etymologie

* afleiding van bars

Vertalingen

Engelsgrimness, harshness