barhouder

mannelijk (de)/ˈbɑrhɑudər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. beroep, horeca (beroep) (horeca) iemand die een café exploiteert
    De enige tevreden gezichten op Malpensa waren die van de barhouders. Door de grote vertragingen draaiden die gisteren uitstekend. Zo goed dat een aantal bars door zijn voorraad heen was.
    Telefonisch geraadpleegde experts adviseerden daarna de boeken meteen te bevriezen. Een plaatselijke barhouder heeft alle ijsjes uit zijn vrieskist gehaald om plaats te maken voor de boeken.