banalisering

vrouwelijk (de)/banaliˈzerɪŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het respectloos behandelen van iets of iemand
    In de Joodse gemeenschap en de politiek in Italië is met verontwaardiging en afschuw gereageerd. Parlementariër Emanuele Fiano noemde het spel „een banalisering van de geschiedenis. Auschwitz is de grootste begraafplaats uit de geschiedenis van het Joodse volk.”
  2. het doen alsof iets heel normaal is
    Andere voorzitters en politici wezen al op rol die de partij speelt in de banalisering van extreemrechtse uitspraken.
    De Antwerpse burgemeester riep ook de gebruikers van drugs tot de orde en veroordeelt de banalisering van illegale middelen. ‘Ik ben niet naïef over de inbedding van drugs in onze samenleving. Welke ouder van opgroeiende tieners kan daar naïef in zijn? Ik alleszins niet.’ De gebruiker mag daarom gerust aangesproken worden op zijn verantwoordelijkheid, vindt hij. ‘De link met de kogels die worden afgevuurd mag niet worden weggemoffeld.’

Etymologie

* van banaliseren