bamboe

mannelijk (de)/ˈbɑmbu/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. bloemplanten (bloemplanten) benaming voor reuzengrassoorten uit de onderfamilie , afkomstig uit Azië waarvan de scheuten van sommigen eetbaar zijn
    Bamboe is het voedsel van de reuzenpanda.
  2. stok gemaakt van bamboe
    De ondeugende jongen kreeg slaag met het bamboetje van zijn vader.

Etymologie

* Leenwoord uit het Indonesisch, in de betekenis van ‘grasachtige plantengeslachten’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1596

Vertalingen

Engelsbamboo
Fransbambou
DuitsBambus
Spaansbambú
Italiaansbambù
Portugeesbambu
Russischбамбук
Japans