badkamerdeur

mannelijk/vrouwelijk (de)/'bɑtkamərdør/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. bouwkunde (bouwkunde) een deur die toegang geeft aan een badkamer
    Marie-Claire Ik trek de badkamerdeur open en kijk in het gezicht van Giorgos, die met smalende blik en met een handdoek om zijn middel op de toiletpot zit. 'Is de kust veilig?' 'Wat was je aan het doen, joh? Lauren had het bijna door!' 'Wc doortrekken en tandenpoetsen,' is zijn eerlijke antwoord.
    De badkamerdeur zwaait open en Nikki stapt in een handdoektenue - eentje op haar hoofd en eentje om haar lichaam gewikkeld - de kamer binnen.

Vertalingen

Zweedsbadrumsdörr