badkamer

mannelijk/vrouwelijk (de)/'bɑtkamər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. sanitair, vertrek (sanitair), (vertrek) een vertrek waar men zich kan wassen en verzorgen
    De badkamer werd opnieuw ingericht.
    In de badkamer met een grote spiegel in een vergulde lijst was er met zichtbare tegenzin een moderne douchecabine aangebracht naast de antieke badkuip van email, die op vier bronzen pootjes in de vorm van leeuwenklauwen stond.
    Vaag hoorde ze hoe in de badkamer de stralen tegen de kunststofbodem van de douche kletterden.

Vertalingen

Engelsbathroom
Franssalle de bains
DuitsBadezimmer
Spaanscuarto de baño
Poolsłazienka
Zweedsbadrum
Deensbadeværelse