baddoek
mannelijk (de)/ˈbɑduk/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- handdoek die men gebruikt in de badkamer na het baden of douchenHalf naakt op een tafeltje waarop ze een baddoek had gespreid, tegen de achtergrond van een slordig geschilderd strand met palmbomen. Het kind begon vreselijk te huilen, rammelaars en troostende woordjes hielpen niet, ze werd opgetild en gesust, voorzichtig weer op de baddoek gelegd, waarop ze weer begon te gillen. NRC A. Ramdas 12 juni 1993 [https://www.nrc.nl/nieuws/1993/06/12/kinderfoto-7185987-a1334822 Kinderfoto]Picanol lanceerde in september een nieuwe luchtweefmachine, de TERRYplus 800, speciaal ontwikkeld voor het weven van badstoffen. "Dit past binnen onze strategie om elk jaar een nieuwe machine op de markt te brengen. Deze machine wordt volledig in Duitsland gemaakt en is bedoeld voor het nichesegment van de baddoek", vertelt Dryhoel. De Standaard 23 oktober 2006 door TNL [http://www.standaard.be/cnt/be3991869eaff6 Picanol ziet omzet dalen]
Vertalingen
Engelsbath towel
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek