badderen
/ˈbɑdərə(n)/
Betekenis
werkwoord
- zich in het water van een bad of vijver vermaken
- zich zwemmend en spelend badenRattlesnake klom de steile kloof in om onder aan de waterval te badderen.
- (dierkunde) het met veel gespetter nemen van een bad in water of stof door vogelsIn het fijne zand zijn de mussen lekker aan het badderen.
Etymologie
*(freqtt) baden
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek