baarmoederhals
mannelijk (de)/ˈbarmudərˌhɑls/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (anatomie) smal en buisvormig gedeelte van de baarmoeder dat aan een kant in de vagina eindigt en aan de andere kant overgaat in het baarmoederlichaamHet uitstrijkje van de baarmoederhals.
Etymologie
*Samensteling van baarmoeder en hals.
Vertalingen
Engelscervix
Franscol de l'utérus
DuitsGebärmutterhals
Spaanscuello uterino, cuello del útero
Zweedslivmoderhals
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek