baar

mannelijk/vrouwelijk (de)/bar/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. kleine verhoging of onderstel, waarop een doodskist wordt opgebaard of gedragen
    De dragers droegen de kist van de baar naar de begrafenisauto.
  2. meestal in meervoud golf op zee
    Hij gaat varen over de baren.
zelfstandig naamwoord
  1. staaf edelmetaal
    De Nederlandsche Bank bezit veel goud in de vorm van baren.
    ' Haar vader schudde hun allebei de hand, en Teresa gaf hem het brood. Hij keek er stralend naar, alsof het een baar goud was en Teresa een van de drie Wijzen uit het Oosten.
zelfstandig naamwoord
  1. (Nederlands-Indië) iemand die nog weinig ervaring heeft
  2. pregnant, scheepvaart (pregnant) (scheepvaart) zeemand die op zijn reis naar Indië voor het eerst de evenaar is gepasseerd

Etymologie

**in de betekenis ‘bloot, kaal’ als deel van een toponiem aangetroffen vanaf 820-822

Vertalingen

Engelscash
Franscomptant
DuitsBahre, bar
Spaanscamilla, contante
Italiaanscontanti
Poolsw gotówce