artrose
vrouwelijk (de)/ɑr'trozə/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (medisch) een aandoening van het gewrichtskraakbeen
Etymologie
* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘gewrichtsontsteking’ voor het eerst aangetroffen in 1984
Vertalingen
Engelsarthrosis
Fransarthrose
DuitsArthrose
Spaansartrosis
Italiaansartrosie
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek