arminiaan
mannelijk (de)/ˌɑrminiˈjan/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- aanhanger van de theoloog ArminiusIn de Bijbel staat die prachtige, ware zin: „Wie niet liefheeft kent God niet, want God is liefde.” Laten we dat elkaar gunnen, of je nu vrijzinnig of orthodox bent, arminiaan of gomarist, protestant, katholiek of atheïst, lhbti’er of hetero.”„Meneer Whitefield zegt dat meneer Wesley de zaligheid van een mens afhankelijk maakt van diens eigen vrije wil.” Maar dat klopt volgens haar niet, want van al het goede in de mens is God de auteur, schrijft ze. „John Wesley is geen arminiaan, en meneer Whitefield weet dat.”
- omgekeerde arminiaan: gebrakken baars of snoek
Etymologie
*(eponiem), afgeleid van "Arminius", de gelatiniseerde familienaam van de 16e-eeuwse Nederlandse theoloog , geschreven met een kleine letter volgens
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek