armband

mannelijk (de)/ˈɑrᵊmˌbɑnt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. sieraad of merkteken dat om de pols of arm gedragen wordt
    Zij had een prachtig gouden armbandje om haar rechterpols.
    In het ziekenhuis draagt iedere patiënt een armbandje met zijn naam erop.
    ‘Hallo, ik ben Joop. ’ Een hand met veel gouden ringen en bijpassende armband werd toegestoken.

Vertalingen

Engelsbracelet
Fransbracelet
Spaansbrazalete, pulsera
Italiaansbraccialetto