armatuur
vrouwelijk (de)/ɑrma'tyr/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- wapening van een constructie
- (elektrotechniek) houder voor een of meer lampen
- (natuurkunde) anker van een elektromagneet
Etymologie
* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘draagconstructie’ voor het eerst aangetroffen in 1665
Vertalingen
Engelsarmature, brace, cramp-iron
Spaansarmadura, armazón
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek