architraaf
mannelijk/vrouwelijk (de)/ɑrxi'traf/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (bouwkunde) in de bouwkunst uit het Midden-Oosten, de Griekse en de Romeinse architectuur de onderste dragende balk in het hoofdgestel (kroonwerk) van een gebouw
- (bouwkunde) onderste vlakke gedeelte aan een kroonlijst, de gevellijst
- (bouwkunde) (houten) lijst als sierafwerking rondom een kozijn
Etymologie
*uit het Italiaans
Vertalingen
Engelsarchitrave
Spaansarquitrabe
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek