architraaf

mannelijk/vrouwelijk (de)/ɑrxi'traf/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. bouwkunde (bouwkunde) in de bouwkunst uit het Midden-Oosten, de Griekse en de Romeinse architectuur de onderste dragende balk in het hoofdgestel (kroonwerk) van een gebouw
  2. bouwkunde (bouwkunde) onderste vlakke gedeelte aan een kroonlijst, de gevellijst
  3. bouwkunde (bouwkunde) (houten) lijst als sierafwerking rondom een kozijn

Etymologie

*uit het Italiaans

Vertalingen

Engelsarchitrave
Spaansarquitrabe