arbeidster
vrouwelijk (de)/'ɑrbɛɪtstər/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (beroep) een vrouwelijke persoon die werk uitvoert voor een anderPhillips had veel arbeidsters in dienst voor het fijne werk.
Etymologie
* van arbeiden
Vertalingen
Spaansobrera
Italiaansoperaia
Poolspracownica
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek