arbeider
mannelijk (de)/ˈɑrbɛidər/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (beroep) iemand die voor een loon handmatige arbeid verrichtVoor ongeschoolde arbeiders is er tegenwoordig weinig werk te vinden.Het Grand Hotel was al in 1893 klaar, het sanatorium tien jaar later, aan de zuidkant van de spoorweg werden grote villa's gebouwd, de huizen van de arbeiders kwamen aan de noordkant.Als hij dit aangename gevoel van kou, duisternis en hard werken zou moeten proberen uit te leggen, kon hij het alleen maar beschrijven als een soort pelgrimsreis terug naar de oorsprong, alsof hij zijn lichaam en ziel reinigde door te leven als een normale arbeider.
Etymologie
*afgeleid van de werkwoordstam van arbeiden (arbeid)
Vertalingen
Engelsworker, labourer, laborer
Fransouvrier
DuitsArbeiter, Handwerker
Spaanstrabajador, operario, obrero
Italiaanslavorante
Portugeesobreiro, operário, trabalhador
Russischрабочий
Turksamele
Poolsrobotnik
Zweedsarbetare
Deensarbejder
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek