arbeidsgeschiktheid

vrouwelijk (de)/ɑrbɛɪtsxə'sxɪkthɛɪt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. de mate waarin iemand in staat is om betaalde arbeid te verrichten
    In het verslag staan opmerkingen als „De directie is alleen geïnteresseerd in aantallen, niet in de kwaliteit van de keuring”, zo liet RTL Nieuws zien. Er heerst gebrek aan vertrouwen in de top. De woordvoerder wijst erop dat er niet alleen kritiek in staat. „Er blijkt ook duidelijk uit dat de mensen betrokken zijn bij hun cliënten en zich graag voor hen inzetten.” F. Paling, directeur uitvoering divisie arbeidsgeschiktheid, heeft er vertrouwen in dat de problemen kunnen worden opgelost. Reformatorisch Dagblad 21-10-2005 [https://www.rd.nl/vandaag/binnenland/onvrede-onder-artsen-van-uwv-1.64544 Onvrede onder artsen van UWV]

Etymologie

*afgeleid van arbeidsgeschikt

Vertalingen

Engelsfitness for work, earning capacity, fitness for employment