arbeidsbeperking

vrouwelijk (de)/'ɑrbɛɪtsbəpɛrkɪŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. belemmering die ontstaan is door ziekte of gebrek waardoor het verkrijgen of verrichten van arbeid niet of minder goed mogelijk is
    De afspraken met werkgevers over meer banen voor mensen met een arbeidsbeperking worden voortvarend uitgevoerd. Troonrede 2016