appel

mannelijk (de)/ˈɑpəl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. bloemplanten, fruit (bloemplanten) (fruit) ronde eetbare vrucht met wit vruchtvlees en een rode, groene of gele al dan niet gebloste of gestreepte schil; vrucht van de appelboom (in het bijzonder van de soort ).
    Snoep gezond, eet een appel!
    Toen ik de volgende ochtend om 4 uur wakker werd, stond de stille jongen al op het punt te vertrekken en gaf me een appel.
  2. bloemplanten (bloemplanten) boom die deze vruchten draagt, appelboom.
    Ik heb veel appelen staan in mijn tuin.
zelfstandig naamwoord
  1. tijdstip waarop alle leden van een groep bijeengeroepen worden om hun aanwezigheid te bewijzen.
    's Morgens om zes uur moesten alle soldaten op appel verschijnen.
  2. het doen van een beroep op iemands gevoel van eer of rechtvaardigheid
    De appellant richtte een appel aan de gouverneur om de executie uit te stellen.
  3. hoger beroep
  4. valkerij (valkerij): de reactie of gehoorzaamheid van de vogel

Etymologie

*appél: van "appel", in de betekenis van ‘beroep, verzet’ aangetroffen vanaf 1336 Het Middelnederlands kende de vorm appeel (ontleend aan het Oudfrans), die bewaard is als verkleinwoord: appeelken. De moderne vorm is een hernieuwde ontlening aan het moderne Frans.

Uitdrukkingen

  • Een appel valt niet ver van de boom.
  • :Kinderen lijken over het algemeen op hun ouders.
  • Wie appelen vaart, die appelen eet.Als je handelt in bepaalde goederen, dan zul je deze zelf waarschijnlijk ook gebruiken./Iemand die bepaalde werkzaamheden voor een ander moet verrichten, geniet daar doorgaans zelf ook van.
  • Een rotte appel in de mand maakt ook het gave fruit te schand.Een negatieve beïnvloeding van één persoon kan vele anderen op het slechte pad brengen, of ook hun reputatie aantasten.
  • voor een appel en een ei
  • Een appeltje voor de dorstIets extra's dat men achter de hand houdt voor minder goede tijden
  • Appels met met peren/citroenen vergelijkenOnvergelijkbare zaken toch met elkaar (proberen te) vergelijken
  • Iemand appelen voor citroenen verkopenIemand afzetten, in het zak zetten

Vertalingen

Engelsapple, appeal
Franspomme
DuitsApfel
Spaansmanzana
Italiaansmela, appello
Portugeesmaçã
Russischяблоко
Japans林檎
Koreaans사과
Turkselma
Poolsjabłko
Zweedsäpple, appell
Deensæble