antropofaag

mannelijk (de)/ɑntropo'fax/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. menseneter, kannibaal
    De mens is van nature behalve vleeseter ook antropofaag.
  2. mensen etend
    In dat land bevindt zich een antropofage volksstam.

Etymologie

* Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘menseneter’ voor het eerst aangetroffen in 1824