antropofaag
mannelijk (de)/ɑntropo'fax/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- menseneter, kannibaalDe mens is van nature behalve vleeseter ook antropofaag.
- mensen etendIn dat land bevindt zich een antropofage volksstam.
Etymologie
* Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘menseneter’ voor het eerst aangetroffen in 1824
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek