animositeit

vrouwelijk (de)/animoziˈtɛit/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. vijandigheid
    Ik zou iets van de animositeit tot uitdrukkig brengen die ik voor hem voelde.
    Wist je dat een van de vliegtuigen geen raampjes had?' Ook elders bij de militairen bespeur ik een zekere animositeit ten opzichte van de Amerikanen.

Etymologie

*afgeleid van het Franse animosité () [https://fr.wiktionary.org/wiki/animosité Wiktionnaire]

Vertalingen

Engelsenmity
Fransanimosité
Spaansanimosidad