ander
mannelijk (de)/ˈɑndər/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- diegene die je niet zelf bentDat laat ik aan anderen over.
- diegene die niet eerder genoemd isSommigen gingen wat eten en anderen zaten zwijgend voor zich uit te staren.
Etymologie
*(erfwoord) via Middelnederlands "ander" van Oudnederlands "andar", als telwoord in de betekenis van ‘de tweede, niet dezelfde’ aangetroffen vanaf 701
Uitdrukkingen
- Als de ene hand de ander wast worden ze allebei schoon. — wanneer je samenwerkt en elkaar helpt, is hetgeen gebeuren moet sneller gedaan
- De een z'n dood is een ander z'n brood. — wat voor de één een nadeel is, daar profiteert een ander van
- De ene dienst is de andere waard. — wanneer iemand helpt, doet men graag iets terug
- Het ene gat met het andere stoppen. — het slecht beheren van geld door met de ene schuld de andere af te lossen
- Het ene oor in, het andere weer uit. — iets (een raad e.d.) wel horen maar het vervolgens meteen weer vergeten; gezegd van hardleerse personen aan wie hetzelfde steeds weer opnieuw moet worden verteld
- Het ene woord haalt het andere uit. — als de ene persoon een grote mond opzet, krijgt die dat van de ander terug
- Wie een kuil graaft voor een ander, valt er zelf in. — je kan het slachtoffer worden van je eigen snode plannen
- Wie zich aan een ander spiegelt, spiegelt zich zacht. — wie de problemen van een ander ziet weet hoe die moet handelen en voorkomt eigen schade zonder dat het hem zelf wat kost
Vertalingen
Engelsother, other
Fransautre
Duitsander
Spaansotro
Italiaansaltro
Poolsinny
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek