ene

/ˈenə/

Betekenis

telwoord
  1. vorm van één om dit aantal te benadrukken
    Vijf keer terugkomen voor de lol van de ploerten en dan wee van de narigheid naar huis met ene gulden dertig.
    Wonderbaarlijk genoeg deed ze alles af op haar ene been.
  2. vorm van één soms gebruikt bij ritmisch aftellen
    Daar gaat ie dan, ene.. tweeë.. drie!
lidwoord
  1. benadrukte vorm van een gebruikt voor een persoonsnaam om aan te geven dat die niet bekend is; soms licht misprijzend bedoeld
    Ene meneer Jansen schijnt daarover bezwaar gemaakt te hebben.
  2. verouderd (verouderd) verbogen vorm van een (nominatief enkelvoud vrouwelijk)
    Zodanig ene onderneming vordert zekerlyk ene weldoorknede beoefening der Kerklyke Geschiedenissen, (...)
  3. verouderd (verouderd) verbogen vorm van een (accusatief enkelvoud vrouwelijk)
    Ik heb voor enigen tyd, by ene noodzaekelyke verandering van Domestiken, enen knegt gehuurd, die van Frederikstad(*) gekomen is met loflyke getuigenissen van een braef en stil jongman te zyn, (...)
voornaamwoord
  1. de bedoelde persoon ken je niet
    Ene Jansen belde vanmorgen op om een afspraak te maken.

Uitdrukkingen

  • geen ene moerhelemaal niets
  • Als de ene hand de ander wast worden ze allebei schoon.wanneer je samenwerkt en elkaar helpt, is hetgeen gebeuren moet sneller gedaan
  • De ene dienst is de andere waard.wanneer iemand helpt, doet men graag iets terug
  • Het ene gat met het andere stoppenhet slecht beheren van geld door met de ene schuld de andere af te lossen
  • Het ene oor in, het andere weer uit.iets (een raad e.d.) wel horen maar het vervolgens meteen weer vergeten; gezegd van hardleerse personen aan wie hetzelfde steeds weer opnieuw moet worden verteld
  • Het ene woord haalt het andere uit.als de ene persoon een grote mond opzet, krijgt die dat van de ander terug