amaril
/ama'rɪl/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (geologie) een fijnkorrelig gesteente (samengesteld uit korund, magnetiet, hematiet en kwarts) dat onder meer in poedervorm gebruikt wordt voor de vervaardiging van schuurpapier, schuurlinnen, instrooimateriaal afwerkvloeren, polijst- en slijpschijvenOp Naxos wordt nog steeds amaril gewonnen.
Etymologie
* uit het Frans
Vertalingen
Engelsemery
Fransémeri
DuitsSchmirgel
Spaansesmeril
Zweedssmärgel
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek