amaril

/ama'rɪl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. geologie (geologie) een fijnkorrelig gesteente (samengesteld uit korund, magnetiet, hematiet en kwarts) dat onder meer in poedervorm gebruikt wordt voor de vervaardiging van schuurpapier, schuurlinnen, instrooimateriaal afwerkvloeren, polijst- en slijpschijven
    Op Naxos wordt nog steeds amaril gewonnen.

Etymologie

* uit het Frans

Vertalingen

Engelsemery
Fransémeri
DuitsSchmirgel
Spaansesmeril
Zweedssmärgel