amalgama

onzijdig (het)/amɑlˈɣama/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. scheikunde, verouderd (scheikunde) (verouderd) legering van kwik met een ander metaal
    Metaal in den vorm van een zeer dun blad, inzonderheid bladtin. Vooral in toepassing op het amalgama van tin en kwik, waarmede men spiegels en ook wel edelsteenen van achteren bekleedt om de terugkaatsing van het licht te versterken.
  2. figuurlijk (figuurlijk) geheel bestaand uit een vermenging van onderdelen die eigenlijk niet bij elkaar horen
    Speels, schijnbaar argeloos uit de tachtigjarige dichter in gedreven rijmen zijn fascinatie voor het naderende moment waarop 'mijn stof mag paren met Uw Stof' - dat is de fascinatie voor het amalgama van leven en dood.
    Harmsens boek is een welkome aanvulling op de sociale historie van Nederland, het is een geslaagd amalgama van ideeëngeschiedenis en "petite histoire'.

Etymologie

**[2] onder invloed van "amalgame"