amalgaam
onzijdig (het)/amɑl'ɣaːm/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (metallurgie) (medisch) legering van kwikzilver en een ander metaal, bijvoorbeeld zilver, vroeger veel gebruikt voor vullingen van kiezen
- mengelmoesMalodetto's geschiedenis over quarantaine, een inrichting voor geesteszieken en ruïnes is een amalgaam van echte lagune-eilanden - sommige zijn de thuisbasis voor mensen, andere voor ruïnes, weer andere zijn lang geleden verloren gegaan.'Vanaf nu,' verklaarde hij, 'zijn zowel tijd als ruimte geen opzichzelfstaande fenomenen meer; alleen een soort amalgaam van beide heeft werkelijk bestaansrecht.
Etymologie
* Leenwoord uit middeleeuws Latijn amalgama, ontleend met het lidwoord al- aan Arabisch al-malḡam (اَلْمَلْغَم) ‘de weekmakende zalf’, ontleend aan Oudgrieks málagma (μάλαγμα) ‘verwekend middel, weekmakend pleister, stootkussen’, afleiding van malássein (μαλάσσω) ‘week maken’.
Vertalingen
Engelsamalgam
Fransamalgame
DuitsAmalgam
Spaansamalgama
Italiaansamalgama
Portugeesamálgama
RussischАмальгама
Arabischمَلْغَم
Turksamalgam
Poolsamalgamat
Zweedsamalgam
Deensamalgam
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek