alle drie

/ˈɑləˌdri/

Betekenis

telwoord
  1. elk van een drietal
    Want ondanks dat Hermans, Mulisch en Reve drie individuen waren die elkaar stevig beconcurreerden, hadden de Grote Drie onderling natuurlijk meer overeenkomsten dan verschillen. Wat nu meer opvalt dan toen: alle drie wit, man, en met een wereldbeeld dat sterk is gekleurd door de Tweede Wereldoorlog.

Etymologie

*verbinding van "alle" en "drie"