alleen
onzijdig (het)/ɑlˈen/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (scheikunde) een organische verbinding met twee belendende dubbele bindingen1=Propadieen (H2C=C=CH2) is het eenvoudigste alleen.
- zonder gezelschapLaat mij alleen met al mijn verdriet.Het idee om een lange tijd alleen door te brengen trok mij enorm aan, maar vond ik tegelijkertijd doodeng omdat ik geen ervaring had met langdurig alleen zijn.
- zonder hulp of medewerkingIk heb helemaal alleen mijn veters gestrikt!
- zich beperkend tot ietsIk heb alleen de woonkamer gestofzuigd.Die kennis alleen al was uiterst waardevol.
Etymologie
:Noord: : alene
Vertalingen
Engelsalone, only
Fransseulement
Duitseinzig, nur
Spaanssolo, solamente
Italiaanssolo
Russischодинокий
Poolssam
Zweedsbara, endast
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek