alf
mannelijk (de)/ɑlf/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- elf; een mythologisch wezen dat meestal over bovennatuurlijke krachten beschikt
- (overdrachtelijk) zot, dwaas
Etymologie
* [B] Nevenvorm van alver ‘glanzend voorntje (Alburnus alburnus)’.
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek