alf

mannelijk (de)/ɑlf/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. elf; een mythologisch wezen dat meestal over bovennatuurlijke krachten beschikt
  2. (overdrachtelijk) zot, dwaas

Etymologie

* [B] Nevenvorm van alver ‘glanzend voorntje (Alburnus alburnus)’.