alertheid
vrouwelijk (de)/aˈlɛrthɛit/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- het alert zijn; het oplettend zijnExtra alertheid gevraagd.Het meest voorkomende scenario waarin het voor de hand ligt dat de ene partner een inkomen verdient terwijl de andere dat niet doet, is wanneer het stel een kind of kinderen heeft voor wie moet worden gezorgd; dat gaat immers gepaard met een huiselijk leven dat om voortdurende alertheid vraagt als het gaat om de schoonmaak, boodschappen doen, koken, wassen, vouwen, opruimen, en de kat naar de dierenarts en de kinderen naar de tandarts brengen.De commissie stelde 'dat de zes jonge klokkenluiders meer moed, alertheid en speurzin hebben getoond dan zittende hoogleraren'.
Etymologie
*Afgeleid van "alert" .
Vertalingen
Engelsalertness
Fransvigilance
DuitsWachsamkeit
Spaansvigilancia
Zweedsvakenhet
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek