alcoholgehalte

onzijdig (het)/ˈɑlkohɔlɣəˌhɑltə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. aandeel ethanol in verhouding tot de totale hoeveelheid, bij dranken een maatstaf hoe snel je er dronken van wordt, en bij lichaamsvloeistoffen een maat voor dronkenschap
    Wat er nog als oranjebitter geschonken wordt is bovendien zo zoet en zo weinig bitter dat je je afvraagt of er nog één zure sinaasappel (pomerans, Citrus aurantium) aan te pas komt. Het is een gevaarlijk goedje want de suiker verdoezelt het hoge alcoholgehalte van 30 procent, je drinkt het net wat anders dan jenever (35 procent), zoals je ook – onverdunde – whisky anders over de tong leidt dan koude thee, al was het maar om de wangbinnenkant tegen de alcohol te beschermen.
    Volgens het Italiaanse persbureau ANSA was de bestuurder onder invloed van alcohol. Er zou een zeer hoog alcoholgehalte in zijn bloed zijn aangetroffen.
    Het alcoholgehalte in haar adem bedroeg die middag meer dan 2.000 microgram per liter, blijkt uit een test door de verslavingspoli – omgerekend meer dan achttien biertjes.
  2. figuurlijk (figuurlijk) mate waarin men dronken is
    Ouwe Sunderklaas zit er weer op! Het waren weer een paar mooie dagen, waarbij de discussie over drankgebruik weer regelmatig oplaaide. (…) Maar ondanks het hoge alcoholgehalte was Ouwe Sunderklaas in De Koog gewoon een enorm succes. De sfeer was goed en er werd meer gespeuld dan ik in jaren gezien heb.
    Alcohol is hier écht een dure grap. Naast me praten twee jagers met elkaar. De koddigheid van de taal met de vele klinkers neemt toe naarmate het alcoholgehalte stijgt.