alcohol

mannelijk (de)/ˈɑlkohɔl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. scheikunde (scheikunde) elk van de verbindingen uit een groep koolwaterstoffen die gekenmerkt zijn door de aanwezigheid van een -O-H-verbinding
    Alcoholen kunnen in een reactie met een zuur esters vormen.
  2. substantie die gevormd wordt bij vergisting van suikers en in alcoholische dranken zit
    Aan de hoeveelheid alcohol die men in het bloed heeft zijn wettelijke grenzen gesteld als men achter het stuur wil zitten.
    Dat spul is pure alcohol.
  3. metonymisch, drinken (metonymisch) (drinken) een of meerdere alcoholhoudende dranken
    Neem nog een glas alcohol.
    Ik neem aan dat er ook de nodige alcohol in het spel was .
    Wij waren een cocktail van uitersten (in willekeurige volgorde): rustig, uitgesproken en luidruchtig. Drugs, alcohol en water. Wild, voorzichtig en nieuwsgierig. Levend in het verleden in het heden en in de toekomst. De entertainer, de charmeur en de verleider. Kinderachtig, zorgzaam en met een luisterend oor. Totaal geen overeenkomsten.

Etymologie

*via modern Latijn "alcohol" en "alcohol" afgeleid van (kuḥl) "kohl, antimoon" in combinatie met (al) "de/het", in de betekenis van ‘kleurloze vloeistof’ voor het eerst aangetroffen in 1770

Uitdrukkingen

  • alcohol achter de kiezen

Vertalingen

Engelsalcohol
Fransalcool, alcohol
DuitsAlkohol
Spaansalcohol
Italiaansalcol, alcool
Poolsalkohol
Zweedsalkohol
Deensalkohol