afzweren

/ˈɑfswerə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) bij ede verklaren dat men niet langer bereid is iets of iemand te dienen
    Het gebruik van alcohol werd in de Verenigde Staten per grondwetswijziging afgezworen, maar later moest men daar door de toename van de criminaliteit op terugkomen.
werkwoord
  1. erga (erga) een lichaamsdeel verliezen in een infectieproces
    Door zijn melaatsheid waren er twee vingers afgezworen.

Vertalingen

Spaansabjurar, apostatar
Portugeesabjurar