afzwakken

/xxxx/

Betekenis

werkwoord
  1. minder sterk worden
    De wind zwakt af zodat we mogen hopen dat de wind gaat liggen.
    De regen leek daarnet af te zwakken, maar stopte niet; en toen, in een abrupte overgang van toon, werd hij nog heviger, nog duchtiger, alsof het voorafgaande slechts een prelude is geweest voor het echte plenswerk. {{Aut| Valens, Anton
    Het Preventieakkoord is bedoeld om roken, overgewicht en alcoholgebruik terug te dringen. Drie experts die erover onderhandelden, betwijfelen of de afspraken hard genoeg zijn. Tegelijk wil de VVD alweer delen afzwakken. NRC Pim van den Dool 2 september 2019 [https://www.nrc.nl/nieuws/2019/09/02/stapjes-op-weg-naar-gezond-gedrag-a3971906?utm_source=SIM&utm_medium=email&utm_campaign=5om5&utm_content=&utm_term=20190902 Gezonder leven, hoe snel moet dat gaan?]
  2. van een mening dat die minder uitgesproken zal zijn
    Hij moest zijn zeer uitgesproken mening t.o.v. kernenergie afzwakken toen hij de nieuwe gegevens analyseerde.