afzien
/ˈɑfsin/
Betekenis
werkwoord
- (inerg) ~ van: besluiten iets niet te doenHij zag af van zijn voornemen.
- (inerg) lijden, ongemak doorstaan, o.a. in de sportDie laatste ronde was puur afzien.
- spieken, afkijkenDe student haalde hoge cijfers omdat hij zoveel afzag.
Etymologie
* In de betekenis van ‘(in de sport) lijden’ voor het eerst aangetroffen in 1970
Vertalingen
Engelsabandon, renounce, suffer
Fransrenoncer à, en baver, en voir de dures
Duitsabsehen von, verzichten, sich abmühen
Spaansrenunciar, sufrir
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek