afzichtelijkheid

vrouwelijk (de)/ɑf'sɪxtələkhɛɪt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het heel lelijk zijn
    Kwam het door de plotseling zich opdringende afzichtelijkheid van Amsterdams voornaamste plein, dat hij, weer buiten staand, opeens aarzelde?
  2. de lelijkheid
    . Ja, gedurig ontdekken wij dezelfde afzichtelijkheid in ons eigen hart.

Etymologie

* afleiding van afzichtelijk