afzetter

mannelijk (de)/ˈɑfsɛtər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. iemand die door misleiding een buitensporige betaling voor iets weet te verkrijgen
  2. verouderd, beroep (verouderd) (beroep) iemand die kaarten, prenten, atlassen en boeken inkleurde en van handgeschreven teksten voorzag

Etymologie

*afgeleid van afzetten

Vertalingen

Engelsswindler
Fransescroc
DuitsBetrüger
Spaansestafador, timador