afzetter
mannelijk (de)/ˈɑfsɛtər/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- iemand die door misleiding een buitensporige betaling voor iets weet te verkrijgen
- (verouderd) (beroep) iemand die kaarten, prenten, atlassen en boeken inkleurde en van handgeschreven teksten voorzag
Etymologie
*afgeleid van afzetten
Vertalingen
Engelsswindler
Fransescroc
DuitsBetrüger
Spaansestafador, timador
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek