afzetten
/xxxx/
Betekenis
werkwoord
- (ov), (medisch): het verwijderen van een deel van een lichaamsdeelDat been moest afgezet worden.
- (ov), (economie): erin slagen producten verkocht te krijgenEr werd veel in Duitsland afgezet.
- (ov) iemand te veel laten betalen voor ietsWe zijn echt afgezet door de straatverkoper.
- (ov), (dierkunde): het leggen van eieren door vijv. vissenNa een ingewikkeld paairitueel werden de eitjes op de waterplanten afgezet en door het mannetje bevrucht.
- (ov) iemand met een voertuig naar een plaats brengen en daar snel laten uitstappenKan ik je daar op de hoek afzetten?In tegenstelling tot het gros van de passagiers lieten zij zich niet voor de ingang van het Las Vegas afzetten.
- (ov), (geologie): het sedimentatieproces waardoor lagen bezinksel ontstaanDeze laag is in het lias afgezet.
- (ov) de zoom of rand van een kledingstuk versierenDe mouwen waren afgezet met kant.
- (ov) apparatuur uitschakelenVoor we weggaan wil ik nog even het koffiezetapparaat afzetten.
- (ov) uit een hoog ambt verwijderenDe corrupte president werd afgezet.
- (ov) een weg voor alle verkeer blokkeren, een gebied ontoegankelijk maken voor onbevoegdenVanwege werkzaamheden is de rechter baan van de A10 afgezet.De politie heeft de plaats van de misdaad afgezet
- (ov) iets dat op het hoofd gedragen wordt weer afnemenHij heeft het masker afgezet.
- (refl) zich ~: veelal met de benen kracht op iets uitoefenen om weg te kunnen bewegenHij zette zich niet voldoende sterk af en daarom mislukte de sprong.Precies zoals ik het ooit leerde tijdens schoolzwemmen, samen met Lot. Zij had het eindeloos met me geoefend tot ik eindelijk de slag te pakken had. Uitdrijven, muur aantikken, omdraaien, afzetten.
- (refl) overdrachtelijk: zich ~ tegen: zijn gedrag laten bepalen door de wens zich te willen onderscheiden van iemand andersHij zet zich erg af tegen zijn ouders.
- (refl) overdrachtelijk: van zich ~: gedachten uit het hoofd zettenZij zette de gedachten over haar nieuwe vriend even van zich af.
Vertalingen
Engelsentfernen, amputate, rip off
Duitsamputieren
Spaansamputar, estafar, destituir
Deensspærre
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek