afzet
mannelijk (de)/ˈɑfsɛt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (economie) het volume product dat aan consumenten verkocht wordtDe afzet van dat bedrijf was prima in orde maar toch leden ze een groot verlies want de verkoopprijs was minder dan de kostprijs.
- de kracht waarmee of het moment waarop men zich tegen iets afzetDe de krachtige afzet kon de verspringer een grote afstand overbruggen.
Etymologie
* uit het Duits
Vertalingen
Engelsdemand, sale
Spaansconsumo, salida, venta
Italiaansconsumo
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek