afwerken

/ˈɑfwɛrkə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) de laatste en kleine details afmaken
    Die houten kast is erg netjes afgewerkt.
    'We hebben een lijst, en die zijn we aan het afwerken.
    Ik zal schilderen en jij zult jouw miniatuur afwerken als het model afwezig is.
  2. volledig bezoeken, bespreken of behandelen
    Tijdens de culturele reis moesten alle kerken van Rome worden afgewerkt.
  3. voltooien
    Ik moet even deze order afwerken maar dan ben ik klaar.
    Toen de bui op zijn hevigst was, stampten we met onze voeten op de vloer voor een donderend gebulder, waarna we langzaamaan alles in omgekeerde volgorde afwerkten - via de tikken, de klappen en het steeds zachter wrijven - tot we weer als zonnen stonden.
  4. informeel, spreektaal (informeel) (spreektaal) (straatprostitutie) een klant in de auto seksueel bedienen (zodat hij weer kan vertrekken)
    Nu staat er een houten huisje met alle voorzieningen die nodig zijn, maar helemaal veilig was het nog niet voor de straatprostituees. Er was nog geen plek waar ze hun klanten konden afwerken.

Vertalingen

Duitsfertigstellen
Spaansacabar
Italiaansterminare