afvoering
vrouwelijk (de)/'ɑfurɪŋ/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- het verwijderen van iets of iemand
- de hoeveelheid water die door een rivier stroomt
- beweging van een lichaamsdeel van het lichaam af
Etymologie
* van afvoeren
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek