afvoer
mannelijk (de)/ˈɑfur/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- vervoer naar eldersDe afvoer van goederen was belemmerd door de opgebroken weg.
- (techniek) leiding waardoor vloeistof, gas of stroom afgevoerd wordtDe afvoer van de wasbak was verstopt.Toen hij door de werkkamer liep, dacht hij er zelfs aan om wat water in de gootstenen te laten lopen zodat de afvoer niet verstopt zou raken.
Etymologie
* van afvoeren
Vertalingen
Engelscarrying off, discharge, transport
Spaanstransporte, trasporte, desagüe
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek