aftrek

mannelijk (de)/'ɑftrɛk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een bedrag dat ergens afgetrokken wordt
    U krijgt uw gehele borg terug behalve de aftrek voor de schoonmaakkosten.
  2. het in getal verminderen van iets
    Voor de aftrek van studiekosten geldt een drempel.
  3. in trek zijn, populair zijn, van dingen die worden aangeboden, verkocht
    De zelfgemaakte koekjes vonden gretig aftrek.
  4. de actie van het iets verminderen
    Het aftrekken van al of niet reële aftrekposten is een hobby van veel Nederlanders.

Vertalingen

Spaansdeducción
Italiaansdeduzione
Portugeesabatimento