afstoten

/ˈɑfstotə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) van de hand doen
    Het bedrijf wilde zijn productie afstoten.
  2. inerg (inerg) als eerste een bal stoten
    De spelers hadden getost om wie de biljart mocht afstoten.
  3. medisch (medisch) herkennen als niet lichaamseigen en dan met een ontstekingsreactie uit het lichaam verwijderen
    Het lichaam stootte het donorhart af.
  4. niet meer met iemand willen omgaan
    Hij stootte zijn beste vrienden van zich af.

Vertalingen

Engelsto repel, reject, push away
Fransrepousser
Duitsabstoßen
Spaansrepeler, rechazar, rechazar
Italiaansrepellere