afstoten
/ˈɑfstotə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (ov) van de hand doenHet bedrijf wilde zijn productie afstoten.
- (inerg) als eerste een bal stotenDe spelers hadden getost om wie de biljart mocht afstoten.
- (medisch) herkennen als niet lichaamseigen en dan met een ontstekingsreactie uit het lichaam verwijderenHet lichaam stootte het donorhart af.
- niet meer met iemand willen omgaanHij stootte zijn beste vrienden van zich af.
Vertalingen
Engelsto repel, reject, push away
Fransrepousser
Duitsabstoßen
Spaansrepeler, rechazar, rechazar
Italiaansrepellere
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek