afstoken
/ˈɑfstokə(n)/
Betekenis
werkwoord
- door vuur volledig vernietigenToon van der Lee (77) werd maandag in het buitengebied van Kaatsheuvel door een zwerm hoornaars belaagd. Hij moest naar het ziekenhuis met twee, drie steken in zijn hoofd. Hij snapt niet dat Natuurmonumenten volstaat met waarschuwingsposters aan de bomen. "Anders ga ik het zelf wel afstoken."
- verhitten of laten branden totdat de gewenste toestand is bereiktIn het cognacgebied zijn van oudsher drie categorieën cognacstokers: le de beroepsstokers met 45 pct. van de produktie; 2e de coöperaties met 17 pct. van de produktie; 3e de „Bouilleurs de cru" (wijnbouwers die hun eigen oogst afstoken) met 38 pct. van de produktie.
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek