afsteken

/ˈɑfstekə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) door insteken van bijvoorbeeld een spade een hoeveelheid materiaal verwijderen
    Hij heeft de rand van het perkje keurig afgestoken.
  2. inerg (inerg) een groot contrast geven
    Die kleur stak sterk af bij de achtergrond.
  3. ov (ov) doen ontbranden
    Hij wilde een lucifer afsteken, maar het was te winderig.
  4. ov (ov) een redevoering, zang of preek ten gehore brengen
    Hij begon een scheldpartij af te steken, maar de voorzitter belette hem dat.

Uitdrukkingen

  • iemand de loef afstekeniemand te snel of te slim af zijn

Vertalingen

Duitsabstechen, anzünden