afsteken
/ˈɑfstekə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (ov) door insteken van bijvoorbeeld een spade een hoeveelheid materiaal verwijderenHij heeft de rand van het perkje keurig afgestoken.
- (inerg) een groot contrast gevenDie kleur stak sterk af bij de achtergrond.
- (ov) doen ontbrandenHij wilde een lucifer afsteken, maar het was te winderig.
- (ov) een redevoering, zang of preek ten gehore brengenHij begon een scheldpartij af te steken, maar de voorzitter belette hem dat.
Uitdrukkingen
- iemand de loef afsteken — iemand te snel of te slim af zijn
Vertalingen
Duitsabstechen, anzünden
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek