afstappen

/ˈɑfstɑpə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ermee ophouden, ervan afzien
    Hij had meer dan twee weken rust genomen en besloot de PCT zuidwaarts voort te zetten, van Canada richting Mammoth, waar hij de trail had verlaten. Ik hoorde dat hij niet ver was gekomen op zijn South Bound (SOBO) avontuur. Je kunt snel je flow en ritme verliezen als je van de trail afstapt.
  2. intr (intr) omlaag stappen (van een fiets etc.)
  3. intr (intr) uitstappen (uit een voertuig)
  4. op iets of iemand afstappen: lopend naar iets of iemand toelopen
    Toen hij op hen afstapte, was er direct de herkenning.

Vertalingen

Spaansapearse, bajar